Een lied voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar

We stappen even in de tijdmachine en gaan naar het einde van de 16e eeuw. We blijven ook niet in Nederland, maar landen in het Duitse Westfalen, in de plaats Unna. Nu een plaats van ruim 58.000 inwoners, toen een veel kleinere plaats. Maar wat is daar in dat plaatsje toen geleden! In 1597/98 werd het getroffen door een pestepidemie. Nu staan de kranten en de journaals vol over het coronavirus dat rondwaart – en gelukkig bij ons ook weer afneemt –, maar ik denk dat toen de kranten vol stonden over de pestepidemie. Ten minste… als die kranten nog geschreven, gedrukt en uitgegeven konden worden. Want zo erg was het.

De dominee van Unna – Philipp Nicolai heette hij, een veertiger, die had gestudeerd in typisch lutherse plaatsen als Erfurt en Wittenberg, was er in 1596 terechtgekomen. Een jaar daarna overkwam hem wat je als dominee normaliter alleen in een nachtmerrie gebeurt, een boze droom. Maar voor ds. Nicolai was het werkelijkheid. Soms moest hij namelijk op de begraafplaats, in de buurt van zijn huis, op één dag dertig slachtoffers van de pest begraven! Dramatisch! Hoe houd je dat vol? Wat heb je je gemeente dan ook nog te zeggen?

Ik vind het heel bijzonder dat hij na al die ellende en dat verdriet in 1599 met een bundel komt, die Freudenspiegel des ewigen Lebens heet. Een bundel om de nabestaanden te troosten. Dat er meer is dan het hier en nu en we ons verheugen mogen in het eeuwige leven. Dat boek eindigt met vier liederen. Een van zijn broer Jeremia en drie van hemzelf. Twee daarvan werden, ik zou bijna zeggen, wereldwijd beroemd en geliefd. Het eerste is: Wie schön leuchtet der Morgenstern. Het tweede is het lied waar dit artikel over gaat: Wachet auf, ruft uns die Stimme. Die beide liederen worden wel de koningin en de koning van de evangelische kerkliederen genoemd, waarbij volgens Willem Mudde ‘Wachet auf’ de koning is en ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern’ de koningin. Iemand schreef: ‘ (…) het is verwonderlijk dat éénzelfde man zulk een volmaakt evenwicht bereikt heeft tussen literaire en muzikale vormgeving’ (C.B. Burger). Eigenlijk zie je na Nicolai nauwelijks meer dat één persoon zowel tekst als melodie schrijft. De traditie van de zogeheten Meistersinger sterft uit.

Het lied (in ons liedboek lied 749) verwijst naar Matteüs 25:1-13, de parabel van de wijze en dwaze maagden (meisjes), die in afwachting zijn van de komst van de bruidegom. De wijze meisjes zijn goed voorbereid, ze hebben voldoende olie in hun lampen, de dwaze of domme meisjes niet – ze komen op het moment suprême tekort.

Opvallend in het lied is dat de domme meisjes ontbreken. De wachters roepen alleen de wijze maagden: ‘Wo seid ihr klugen Jungfrauen?’ Volgens de hymnoloog Jan Smelik heeft dat er mee te maken, dat gezien de ellende van de pestepidemie Nicolai niet wil vermanen, ‘maar troosten door een lied op de lippen te leggen over de komst van de hemelse bruidegom.’

In de liederen van Nicolai gaat het over de vereniging van de bruid met de bruidegom, of wel van de gelovigen (de gemeente) met God (of Christus). We noemen dat de unio mystica, de mystieke eenheid van de ziel met God.

Smelik maakt in zijn bespreking van Wachet auf duidelijk dat Nicolai vanuit de Middeleeuwen bekend was met zogenoemde Tagelieder of Wachterlieder. Dat zijn liederen over twee minnaars die in het geheim de nacht bij elkaar doorbrengen en ‘s morgens door wachters worden aangespoord afscheid van elkaar te nemen. Maar Nicolai denkt natuurlijk ook aan teksten als ‘Word wakker, word wakker, Jeruzalem, sta op!’ (Jesaja 51:17), ‘Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met kracht!’ (Jesaja 52:1). In het tweede couplet komen – niet zo verwonderlijk als het gaat om de bruidsmystiek, de unio mystica, ook beelden uit Hooglied voor. Overigens staat Sion daar voor de wijze meisjes. De bruidegom – en wie is dat anders dan Christus? – wordt Heiland genoemd, maar ook ‘s Vaders Zoon en ’s aardrijks kroon. Prachtig wordt bezongen hoe Hij uit de hemel neerdaalt: ‘in waarheid sterk, in liefde teder’. Wat in de Nederlandse vertaling ontbreekt is, dat het om haar (d.i. Sions) vriend gaat die nederdaalt. Daardoor klinkt het wat vreemd als er staat: ‘haar licht verschijnt, haar ster gaat op.’ In de Duitse tekst is het duidelijker:

Ihr Freund kommt vom Himmel prächtig,
von Gnaden stark, von Wahrheit mächtig,
ihr Licht wird hell, ihr Stern geht auf.

 Aan het slot van het tweede couplet wordt verwezen naar Openbaring 19:7-9, waarin het gaat over de bruiloft van het Lam en de bruid die klaar staat. Die bruid, dat is, maakt Nicolai duidelijk, de gemeente, dat zijn wij.

Wir folgen all
zum Freudensaal
und halten mit das Abendmahl.

Nu het woord ‘avondmaal’ gevallen is, denk ik er ook aan u te wijzen op de vorm van het lied. Lied 749 is zo afgedrukt, dat we daar de vorm van een kelk, een avondmaalsbeker in ontdekken. Of het lied bewust zo geschreven is, is niet duidelijk, maar het is in elk geval een mooie bijkomstigheid.

Nicolai wil, tot slot, in zijn lied aangeven dat als we het avondmaal vieren, we als het ware al in de hemel zijn, verenigd met God. Al even in het hemelse Jeruzalem. Ook hier vinden we weer allerlei beelden uit het boek Openbaring: troon, koor, engelenstem, paarlen poorten. En dan woorden die van Paulus zijn (1 Korintiërs 2:9: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’ Hoe geweldig is dat! De Duitse tekst eindigt zo (we zouden zeggen: de gelovigen gaan uit hun dak):

Des sind wir froh,
io io!
ewig in dulci jubilo.

Bekende muzikale uitwerkingen van dit lied zijn een cantate van J.S. Bach (BWV 140), de orgelversie van Bach (BWV 645), een van zijn bekendste werken en de Choralphantasie und Fuge opus 52. nr. 2 van Max Reger. Zoekt u maar eens op YouTube en laat u troosten door de prachtige eenheid van tekst en muziek. Ook wij kunnen wel wat troost gebruiken, toch?

Ds. Leo van Rikxoort 

 

Literatuur

  • B. Burger, Gezang 162, in: Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting, Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, p. 623-625.
  • Mudde, ‘Het kerklied van luthersen huize, muzikaal bezien’, in Een compendium enz. , p. 71-73.
  • Mudde, ‘Het koningspaar der kerkliederen’, in de hof der evangelische kerkmuziek. Bloemlezing van artikelen en voordrachten van Willem Mudde, Heerlen 1977, p. 128-134.
  • Jan Smelik, Liedboek Compendium, https://www.liedboekcompendium.nl/lied/749–op-waak-op-zo-klinkt-het-luide-7_0_9 (11-11-2020).