“Het platform met nieuws van en voor
kerkelijke gemeenten in de regio Alphen aan den Rijn.”

Rouwen in coronatijd 

Meer uit deze categorie

Sion forever

Ineens zag ik ze overal: liefdesslotjes. U weet wel, stelletjes schrijven op een hangslot hun...

Lees meer

Zondag 22 november werden in veel kerken de overledenen herdacht, op de laatste zondag van het kerkelijk jaar. De herdenking was anders dan voorheen. Rouwen ook, trouwens. Twee predikanten en een gemeentelid delen hun ervaring.


Zoeken naar zinvolle woorden

Als iemand overleden is en je wordt gevraagd de uitvaartdienst te leiden, is het altijd zoeken naar woorden. Zo ervaar ik dat. Als je als predikant (of kerkelijk werker) ergens opnieuw begint – zoals ik, halverwege januari – en je wordt gevraagd voor te gaan in een afscheidsdienst, is het nog veel meer een zoeken en tasten naar zinvolle woorden. Woordvolle zinnen, dat lukt nog wel, maar zinvolle woorden… Je hebt de man of vrouw die overleden is niet gekend, je kent de familie niet, je hebt geen weet van de situatie. Dat soort dingen.

De rouw is er pas echt als de dag van de uitvaart voorbij is

In mijn vorige gemeente kon ik, zonder informatie van de familie, over de man of vrouw van wie voorgoed afscheid genomen moest worden, vaak uit mijn hart iets over hem of haar vertellen. In een nieuwe gemeente kan dat even niet. En door de coronacrisis zal het ook nog wel even duren eer ik met iedereen kennisgemaakt heb. En wat weet je dan nog? 

Vanwege de anderhalve meter en dat we maar met enkelen in een huiskamer bij elkaar mochten komen, vonden voorbereidende gesprekken in kleine kring plaats. Bijna in alle afscheidsdiensten waarin ik mocht voorgaan waren er familieleden die woorden van gedachtenis spraken. Waardevol! Als dominee ben je al snel een soort doorgeefluik van wat je van de familie hebt gehoord. Daarom is het mooi als de familie zelf iets vertelt over wie hij of zij was.

Pijnlijk vond ik het, dat we maar in een kleine beperkte kring een afscheidsdienst konden meemaken. Soms dacht ik: onder normale omstandigheden was de kerk (bijna) te klein geweest. Mooi vond ik de erehagen die soms werden gevormd. Een lint van mensen op anderhalve meter, wat je toch het gevoel gaf van verbondenheid en meeleven. 

Pijnlijk vond ik het ook, dat een mevrouw die in een verzorgingstehuis woont en bij de uitvaart van haar man aanwezig was (hij woonde op een andere afdeling), na de begrafenis veertien dagen in quarantaine moest. Juist toen zij haar kinderen en familie zo nodig had mochten zij niet bij haar komen. 

Ik kom ook mensen tegen die, door de omstandigheden daartoe gedwongen, een uitvaart in besloten kring moesten houden, en nú zeggen: “We hebben het zo veel intensiever beleefd. We hadden er nooit voor gekozen, maar zoals het is gegaan, in eerlijkheid: het paste goed bij hem of haar.”

Het is, tot slot, een cliché, maar daarom niet minder waar: de rouw is er pas echt als de dag van de uitvaart voorbij is. Als het stil geworden is om je heen. Het bed maar voor de helft gevuld, de tafel met die lege plek, een stoel die vacant staat te zijn. Zou dat in coronatijd anders zijn dan toen alles nog ‘normaal’ was? 

Ds. Leo van Rikxoort

Live

Als student in de theologie is mij veel bijgebracht over de wijze waarop een afscheidsdienst wordt vormgegeven. Daarbij is een goede voorbereiding van groot belang. Via gesprekken met de achterblijvende familie probeer je recht te doen aan wie de overledene was en ben je samen bezig om de stroom van herinneringen en emoties te kanaliseren. 

In de afgelopen maanden heb ik regelmatig het advies gekregen om deze gesprekken met de familie maar ‘online’ te voeren. Dit advies heb ik telkens weer in de wind geslagen, temeer omdat mensen rondom het sterven van een geliefde al zoveel moeten missen. Het rouwen om die geliefde is in deze tijd verweven met het rouwen om alles wat er door de corona-maatregelen ineens niet mogelijk is. Rouwen is een sociaal gebeuren. Althans, dat zou het moeten zijn. Het dichtbij elkaar zijn, het elkaar letterlijk steun bieden door een omhelzing; het mág in deze tijd niet. Samen met al dat andere dat niet mag. En dat doet pijn. Bovendien moeten er onmogelijke keuzes worden gemaakt in het bepalen van wie wel en wie niet bij de dertig genodigden hoort. Voor en na de dienst is er geen koffie en iedereen loopt met een mondmasker rond. Dat zijn de harde feiten van de afgelopen maanden en die liggen ook de komende tijd nog onontkoombaar op tafel.

Daarom is het juist nodig om de gesprekken met de achterblijvende familie live te voeren in een ruimte in de kerk waarin je binnen de grenzen van het verantwoorde de tijd en de rust neemt om met elkaar te spreken. Over wat iemand betekend heeft, wie iemand was, over de mooie dingen, maar ook over de achterblijvende rafels. Over het verdriet en hoe het Evangelie daarop ingaat. Dit zijn gesprekken, waarin je elkaar in de ogen moet kunnen kijken, waarin je elkaar aan moet voelen, zonder dat daar een scherm tussen zit. Dan kunnen de voetnoten in een gesprek hoorbaar worden en komt dat wat er tussen de regels door wordt gecommuniceerd ook werkelijk binnen. Want recht doen aan wie iemand is, als overledene én als nabestaande is van levensbelang en dat komt live toch het beste aan het licht. 

Ds. Jasper de Koning

Wieken in rouwstand

Ds. Willem Biesheuvel sprak met gemeentelid Gert van Meeteren. Nelly en Gert van Meeteren wonen in de Hondsdijkse molen in Koudekerk. Nelly en Gert hebben het goed samen. Gert: “Nelly was lief en nuchter. Ze was gegoten voor mij.” Maar begin januari blijkt dat Nelly twee tumoren in haar hoofd heeft. Dappere Nelly aanvaardt dat ze afscheid moet gaan nemen. En ze denkt ook mee over de invulling van de dankdienst voor haar leven in de Ontmoetingskerk. Het afscheid loop echter anders dan Nelly het zich voorstelt. Als zij op 2 april, een maand na haar zeventigste verjaardag, overlijdt zit Nederland midden in de eerste lockdown. De Band, het koor waar Nelly en Gert in zingen, kan niet optreden. Er mag helemaal niet worden gezongen. Maar dertig personen uit de grote familie- en vriendenkring kunnen erbij zijn.

Toch krijgt Nelly een bijzonder en ontroerend afscheid. Gert wil haar niet in een rouwauto hebben. “We hebben altijd veel gefietst samen. Ik hoorde dat overledenen ook op een aanhanger achter de fiets vervoerd kunnen worden. Dat is iets voor ons, dacht ik.” En zo komt het dat Nelly nog één keer bij Gert ‘achterop’ gaat. Op het pad van de molen naar de kerk zwaaien meer dan tweehonderd mensen Nelly uit. Op de dag van Nelly’s begrafenis staan de wieken van alle molens in de regio in de rouwstand. (De wieken van de eigen molen staan nog steeds zo, zie de foto). Gert: “Volgens molenaarstraditie moet dat één jaar en zes weken.) In de kerk klinken muziekopnames en wordt het loflied van Paulus op de liefde voorgelezen. En natuurlijk wordt er verhaald van Nelly’s grote liefde voor haar dochters en voor Gert. Gert zegt: “Ik voel nu nog meer hoeveel ik van haar heb gehouden. Ze laat me niet los.”

Gert: “Ik voel nu nog meer hoeveel ik van haar heb gehouden. Ze laat me niet los”

Hoe gaat het met Gert in de maanden na de begrafenis? Gert: “Het was en is een moeilijke tijd. En die corona maakt het dubbel moeilijk. Sommige mensen durven niet op bezoek te komen. Je kunt zelf nergens naartoe. De eerste tijd niet eens naar de kerk.”

Maar Gert is er niet het type voor om met zijn verdriet in een hoekje te blijven zitten. Zijn advies voor wie hun lief verliezen: “Probeer je leven in je eigen hand te houden.” Gert zoekt mensen op die hem wel durven ontvangen. Hij praat gemakkelijk over zijn verdriet en schaamt zich niet voor zijn tranen. Het werk in en aan de molen geeft hem energie. En hij maakt zelf van een schijf uit een boomstam een grafmonument voor Nelly.

Hoe denkt Gert over de toekomst? “Daar denk ik maar niet teveel over na. Ik hoop dat ik nog een tijd op de molen kan blijven wonen. Hier zijn Nelly en ik erg gelukkig geweest!”

Laatste berichten

Oudere berichten