Missionaire presentie bij de achterdeur

‘Zinzoekers’, zijn we dat niet allemaal, jong en oud? In dit artikel leest u hoe een predikant uit Utrecht in gesprek ging met een aantal zoekende gemeenteleden.

Inleiding

Bij ‘missionair kerk-zijn’ ben je al snel geneigd te denken aan de voordeur van de kerk: hoe krijgen we daar weer nieuwe mensen door naar binnen? Veel gemeentes steken energie in die vraag, om allerlei verschillende redenen en met wisselend resultaat. Zo ook mijn eigen Utrechtse Jacobikerk. Als missionair predikant, sinds 2015 aan deze kerk verbonden, mag ik daar zelfs een behoorlijk deel van mijn tijd voor vrij maken. Dat is mooi werk en tegelijk een intensieve zoektocht.

Tijdens die zoektocht, die voor mij inmiddels zo’n tweeënhalf jaar duurt, kwam ik er als snel achter dat de Jacobikerk niet alleen een voordeur heeft, maar ook een achterdeur. Er is bevlogenheid en oprecht missionair elan, maar er zijn ook vragen, twijfels en apathie. Ik zag en zie mensen door de voordeur binnenkomen en aanhaken, maar ik zag en zie ook mensen via de achterdeur verdwijnen. En bij die achterdeur staat meestal niemand, zo merkte ik.

Aanleiding

De Jacobigemeente is een thuis voor veel jonge mensen. Op een gemiddelde zondagmorgen bestaat meer dan de helft van de aanwezigen uit twintigers en dertigers. Mensen dus, in een bij uitstek zoekende en oriënterende fase van hun leven. Maar wie helpt hen op die zoektocht? Reguliere catechese is er voor hen vaak niet, belijdenis hebben ze soms al gedaan of ze zijn er nog niet toe gekomen. Prediking is een belangrijk instrument om hen tegemoet te komen, maar met de prediking is het net als met het basisonderwijs: die kun je ook overbelasten. Prediking is gewoon iets anders dan een individueel pastoraal gesprek of een goede catechese.

Toch kwamen ze steeds nadrukkelijker in mijn blikveld: jonge mensen die ik zag dringen bij de achterdeur omdat ze het idee hadden hun geloof kwijt te raken. “Zou het een idee zijn als we hier eens wat langer over zouden doorpraten”, vroeg ik aan een van hen die zich wel meldde voor een gesprek. “Graag”, was het antwoord. “En denk je dat er meer mensen in de Jacobi rondlopen zoals jij”, ging ik verder. “Je wilt niet weten hoeveel”, zei ze.

Aanpak

Een berichtje in de weekbrief was mijn volgende stap. Dat ging zo: “Stel, je bent keurig netjes kerkelijk opgevoed, je noemde jezelf altijd best wel of heel erg gelovig, maar de laatste tijd knaagt het. Je kunt er niet eens echt de vinger op leggen, maar de innerlijke afstand ten opzichte van kerk, geloof en God groeien en je hebt steeds vaker het gevoel dat je ‘het’ kwijt bent. Als je dat herkent en je wilt er iets mee, meld je dan middels een berichtje. In april en mei ontmoet ik je graag om ermee aan de slag te gaan. Een cursus wil ik het niet noemen. Wel gaan we samen je vragen grondig analyseren en mogelijke antwoorden verkennen.” Er meldden zich binnen een week veertien personen. In eerste instantie planden we drie avonden. Mijn insteek was onderzoekend en analytisch. In gesprekken viel me namelijk op dat veel mensen die zich aangesproken voelden, wel het gevoel hadden ‘iets kwijt te zijn’, maar dat nauwelijks meer woorden konden geven. Om te voorkomen dat we elkaar tijdens onze ontmoetingen als schepen in de nacht zouden passeren, leek het me daarom bijzonder belangrijk om in kaart te brengen waar we het nu precies over zouden moeten gaan hebben. Met andere woorden: wat de vragen nu precies wel en niet zijn.

Ik nodigde iedereen daarom uit om voorafgaand aan de eerste bijeenkomst een geestelijke levensreis te schrijven aan de hand van de vragen: Waar kom je vandaan, waar bevind je je nu en waar zou je naar toe willen? Ook vroeg ik hen hun verwachtingen en vragen zo nauwkeurig mogelijk te noteren. Met dat materiaal gingen we de volgende avonden aan de slag. Nadrukkelijk heb ik ervoor gekozen om de deelnemers hun eigen materiaal te laten analyseren. Zo ontstond er al heel snel een grote onderlinge betrokkenheid.

“In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden”

De thema’s bleken grofweg in een drietal categorieën onder te brengen. Er waren inhoudelijke thema’s. Hier ging het vaak over de grote vragen van het christelijk geloof: Wie is God? Bestaat Hij wel? Wat moet ik met de Bijbel aan? Opvallend vaak dus heel basale vragen. Daarnaast waren er gevoelsthema’s. Hoe vind ik nieuw elan? Wat moet ik als christen eigenlijk (hebben) ervaren? Waarom maakt geloven me zo onrustig? Ik wil graag meer vertrouwen, maar hoe? Ten slotte waren er omgevingsthema’s. Vaak ging het daarbij over (onverwerkte) erfenissen uit het verleden, of juist de (vaak negatieve) invloed die de huidige (stads)leefomgeving op het geloof van de deelnemers uitoefende. Uiteindelijk maakten we een top drie van vragen die het meest boven kwamen drijven en waar we het de komende tijd met elkaar over wilden hebben. Die vragen waren: Wie is God? Hoe kan ik God kennen? Bestaat God?

Voor de volgende avonden kregen de deelnemers huiswerk. Ik vroeg hen een voorverkenning van het thema te maken aan de hand van de volgende vragen: Welk antwoord zou je vroeger op deze vraag hebben gegeven/welk antwoord is je vroeger op deze vraag geleerd? Waarom voldoet dit antwoord nu niet meer voor je en welke ervaringen in je leven de geloofwaardigheid van die antwoorden aan het wankelen hebben gebracht? Op die manier kregen we stap voor stap elkaars situatie beter in kaart.

Analyse

Tijdens onze gesprekken werd een paar dingen steeds duidelijker. In de eerste plaats dat veel deelnemers leefden met een zeer algemeen godsbegrip. Bij ‘God’ dachten ze in de eerste plaats aan een groot en almachtig iemand (is het eigenlijk wel Iemand?) ver weg. De ervaring leert echter al langere tijd dat een algemeen godsbeeld snel vervaagt, of dat je ermee stuk loopt op de werkelijkheid van het leven. Met Johannes 1 vers 14 als uitgangspunt (‘Niemand heeft ooit God gezien, de Eniggeboren Zoon heeft Hem ons doen kennen’) werkten we aan een meer christocentrisch gevuld Godsbegrip.

In de tweede plaats bleken velen met een nogal smal ervaringsbegrip te leven. Bij ‘God ervaren’ dachten ze vooral aan een fijn gevoel van vertrouwen en geborgenheid, aangeraakt worden, vreugde, extase zelfs. Aan de hand van de psalmen ontdekten we dat het Bijbelse ervaringsbegrip vele malen breder en gelaagder is en dat ervaring bovendien geen doel is, maar een uitgangspunt: de ervaringen die je in het leven opdoet probeer je in al hun verscheidenheid met God in verband te brengen.

In de derde plaats kwamen we erachter dat ‘makkelijke zondagsschoolantwoorden’ weliswaar in je jonge jaren hun dienst kunnen bewijzen, maar op latere leeftijd beter vervangen kunnen worden door meer beproefde en genuanceerde antwoorden. Maar daar moet je dan wel bewust aan toe komen en aan willen werken.

Vervolg

Hoe ging het verder na de zomer? Al snel bleek dat we na drie, vier avonden bepaald nog niet uitgepraat waren. De groep was heel gretig en gemotiveerd, wat het voor mij ook boeiend maakte om er een vervolg aan te geven. We besloten na de zomer een seizoen lang maandelijks elkaar te ontmoeten. ‘Help, ik ben het kwijt’ werd, op suggestie van iemand, ‘In dubio’. Inmiddels zijn we drie avonden onderweg. Enkele deelnemers van het eerste uur haakten om diverse redenen af, anderen voegden zich erbij. Ook nu zijn de vragen van de deelnemers leidend en op hun eigen verzoek ben ik met ‘voorbereidend huiswerk’ blijven werken. Dat blijkt een uitstekende manier om niet langs elkaar heen te praten. Er is immers altijd materiaal beschikbaar dat uit de groep zelf komt. Daarnaast bied ik per avond materiaal aan. Een artikel, een hoofdstuk uit een boek, al naar gelang het thema. Momenteel werken we aan hernieuwd vertrouwen in de Bijbel als bron van Gods spreken. Een uitstekende gids daarbij is het boek van Tom Wright, onlangs in het Nederlands vertaald: ‘De Bijbel en het gezag van God’. Andere thema’s die dit jaar nog op de rol staan zijn onder meer ‘Hoe communiceer je met God?’, ‘Wat levert geloven op?’ en ‘Heeft God een plan met mij?’. De ervaring leert echter dat de weg die je samen aflegt er ook zomaar toe kan leiden dat de thema’s wijzigen.

Ten slotte

Het is mooi om te zien wat er in deze groep gebeurt. In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden. Wat maar weer aangeeft dat de klassieke taken van de kerk (vieren, leren, dienen) niet snel aan actualiteit inboeten. De kracht van deze groep zit ‘em denk ik in het inspelen op een duidelijk verlangen, gecombineerd met een sfeer waarin alles gezegd mag worden en openlijk bediscussieerd én een manier van werken waarbij de inbreng van de deelnemers onmisbaar is. En met een binnenpretje constateer ik dat we niet met hippe eendagsvliegen bezig zijn, maar gewoon met de grote vragen die iedere generatie stelt. En de antwoorden? Ook die zijn al eerder gegeven, maar iedere generatie moet ze wel opnieuw ontdekken.

Utrecht, ds. Wim Vermeulen