Het was een mooi gesprek geweest met een kerkenraad in een dorp in de classis. We deelden de vreugden van de gemeente. We keken naar de toekomst: niet zonder zorgen, maar zeker niet zonder hoop! Dankbaar stapte ik in de auto op weg naar huis, nog mijmerend over het gesprek dat achter mij lag. Na tien minuten merkte ik dat de terugreis anders was dan de heenreis. In plaats van op een ordentelijke provinciale weg, bevond ik mij op een dijk: aan een kant stroomde de brede rivier en aan de andere kant ging het meters steil naar beneden, zonder vangrail. Het was donker, het regende en waaide flink. Apocalyptisch weertje. Niet mijmeren, kop erbij en sturen!

Ik vond het een beetje eng. Toch won de theoloog het van de chauffeur. Als gelovigen hebben wij niet voor de brede, maar voor de smalle – enge! – weg te kiezen, hield ik mijzelf voor. Het water riep beelden op van de oervloed en de Schelfzee, waar een volk, een mens doorheen moet. De rivier als doopwater, mijn auto een ark op de golven.

De ark is vanouds beeld van de kerk. De classis als bestuurslaag sluit aan bij dat beeld. ‘Classis’ betekent namelijk ‘vloot’. Op mijn ronde door de classis zie ik veel verschillende schepen. Robuuste mammoettankers, weerbaar tegen de golfslag, maar soms ook traag en weinig wendbaar. Snelle kajaks, slechts weinig mensen aan boord, maar meebewegend met de golven. Schepen met de wind in de zeilen, schepen laverend tegen de stroom in. Mooie jachten, lompe roeiboten. Een bonte vloot van schepen onder Jezus’ hoede. Ik houd van de vloot: al die schepen hebben elkaar nodig, ze kunnen elkaar aanvullen, van elkaar leren. En wie scheep gaat weet wat hem of haar te wachten staat: navigeren, peddelen, roeien, hozen. Als classispredikant navigeer, peddel, roei en hoos ik mee, tot het schip voor anker – beeld van de hoop – gaat.

Hoezeer de smalle weg ook ten leven leidt, ik haalde opgelucht adem toen ik de dijk afreed, de rivier achter mij liet en de brede provinciale weg hervond. Ark werd weer auto. Ik had het gered. Ik neuriede de woorden van lied 655:

Een lied van uw verwondering
dat nóg uw naam niet onderging,
maar steeds opnieuw geboren is
uit water en uit duisternis.

Ik wens u, lieve mannen en vrouwen van de vloot, toe dat u zich in de veertigdagentijd, op weg naar Pasen, gedragen weet door dit lied van verwondering.

Ds. Julia van Rijn, classispredikant